Het monnikenwerk van Antoon de Groot

19 maart 2012
Vorige

Vrijwilligers. Hoe vaak is al niet gezegd dat ze onmisbaar zijn. Iedere vereniging koestert ze en ook de Atletiekunie kan niet zonder. Binnen dat vrijwilligersgilde zijn er mensen die nog een stapje extra zetten. Die atletiek of loopsport ademen en daarmee van onschatbare waarde zijn voor de sport, voor ons. Deze vrijwilligers zijn in onze ogen de helden van de breedtesport en net als de topsporthelden verdienen ook zij een plekje in de spotlight. Vandaar dat je regelmatig een interview met één van deze helden op onze site terugvindt. De primeur is voor Antoon de Groot.

Je vindt hem bij wedstrijden op de perstribune. Wat zwijgzaam verwerkt hij de prestaties en gegevens op zijn laptop. Antoon de Groot (63) is een man van details. Een sportfanaat bovendien, met thuis twéé televisies. Hoeft hij niks te missen.

\"\"
Antoon de Groot

De moderne tijd, het is een zegen. Antoon de Groot, lid van de werkgroep statistiek bij de Atletiekunie, kan zich nog herinneren hoe het was zónder computers, hoe alles met de schrijfmachine ging. ‘Moet je voorstellen,\' zegt hij, ‘je kon niet even een nieuwe prestatie invoegen; je moest de héle lijst opnieuw typen.\'

In 1982 werd hij de trotse bezitter van zijn eerste personal computer. ‘Een Pearcom, dat was een kloon van de Apple. Het geheugen was 48 kilobyte.\' En het Peertje van De Groot had ook slechts een schermpje van 25 regels met 40 leestekens. En toch was het destijds een wonder van techniek. ‘MS DOS, Windows; ik heb die hele ontwikkeling meegemaakt. Het werd je allemaal steeds makkelijker gemaakt.\'

Geen overbodige luxe. De Groot schat per jaar 75.000 prestaties in te voeren. ‘Outdoor dan, indoor komen er nog eens ruim 10.000 bij.\' En ook met die snelle laptops van tegenwoordig blijft het monnikenwerk voor De Groot al die gegevens te verwerken. ‘In het eerste weekeinde van de competitie bijvoorbeeld heb je veel nieuwe atleten. Dan moet je veel opzoeken; juiste naam, club, geboortedatum. Bij buitenlandse wedstrijden worden namen vaak verkeerd gespeld. Die fouten wil je er uithalen. En je krijgt ook vaak late correcties.\'

In 1988 werd Antoon de Groot gevraagd of hij er iets voor voelde om de Nederlandse ranglijsten bij te houden. ‘Koos Koumans had dat heel lang gedaan, maar hij raakte al aardig op leeftijd.\'

Later stelde de Atletiekunie een werkgroep statistiek in. In die club van zeven medewerkers heeft iedereen zo zijn eigen specialiteiten. ‘Ik doe alle categorieën en wedstrijden, behalve die op de weg. Dat is voor Remko Riebeek; ik heb er geen tijd voor. Als het vergelijkt met vroeger, zie je dat we steeds meer gegevens zijn gaan vermelden. Vroeger was het prestatie, naam en club, meer niet. Nu geven we ook de datum, plaats, wind, soort wedstrijd. Kan ook allemaal door de computer.\'

De Groot behaalde in 1964 als HBS\'er zijn CCSA-atletiekdiploma bij FIT in Zeist en kreeg een speciaal jeugdnummer van het blad Atletiekwereld, dat hij altijd heeft bewaard. Op de omslag staat een foto van een rij sprinters, die uit de startblokken schieten. Het is het officiële affiche van de Olympische Spelen van Tokio 1964. Die foto moet iets in hem hebben losgemaakt. ‘Ik vond dat zó prachtig. Ik heb me gelijk op het blad Atletiekwereld geabonneerd; voor de uitslagen, verhalen en foto\'s.\'

De Groot was gegrepen door de atletiek en werd in 1965 lid van FIT. Bovendien heeft hij een fascinatie voor getallen, voor cijfers. Nadat hij in 1970 het diploma jeugdatletiekleider behaalde, had hij eind jaren \'70 kritiek op de puntentelling bij de pupillen. ‘Die klopte niet,\' zegt hij. ‘Ik hield destijds voor de club de ranglijsten al bij. In het clubblad had ik er al eens over geschreven, het moest anders. Je had rare dingen, scheve verhoudingen. Lopers werden benadeeld ten opzichte van werpers en springers. Ik heb het allemaal uitgerekend op een rekenmachine en kunnen aantonen dat het niet klopte. Het is toen veranderd. Die puntentelling van nu is dus aan mij te danken.\'

Dat rekenwerk kostte hem maanden. Monnikenwerk, engelengeduld, nauwkeurigheid. Waar dat vandaan komt, die liefde voor al dat cijferwerk? De Groot denkt na over de vraag, die voor hem eigenlijk geen vraag is. ‘Ik vind het gewoon leuk...\' En meer is er niet te zeggen. ‘Ik ben ook gek op schaatsen, schreef voor de televisie altijd mee met de rondetijden. Elk jaar komt in het schaatsen een schitterend jaarboek uit met cijfers. Die heb ik allemaal. Al sinds Ard en Keessie verzamel ik die, vanaf 1965.\'

Kijkt hij nog in die oude boeken? Zou hij het jaarboek van - laten we zeggen - 1972 erbij pakken om te zien wat de tijd van de Europees allround kampioen was op de 500 meter? ‘Ja, daar kijk ik nog wel een naar,\' zegt hij. ‘Leuk, heel erg leuk. Omdat je zo de historie van een sport ziet. Ik vond vroeger Atletiekwereld ook zo mooi, juist omdat je al die verslagen van wedstrijden daarin kon lezen. Dat bestaat nu niet meer. Bij de NK cross in november ging het verslag in de krant niet over de titelstrijd, maar over Miranda Boonstra en de marathon. Daarom heb ik ook een abonnement op het Duitse Leichtathletik, waarin je al die cijfers nog wel kunt vinden mét het wedstrijdverhaal erbij. Want daar gaat het me om, het verhaal. Over die Dave Wottle die altijd achterin het veld liep en toesloeg in de eindsprint. Dat vind ik prachtig.\'

De Amerikaan (hij droeg altijd een witte cap) won in 1972 de 800 meter tijdens de Olympische Spelen in München in 1.45,86. Elke 200 meter liep hij in dezelfde split, onder de 27 seconden. ‘Die cijfers horen erbij,\' vindt De Groot.

We nemen de proef op de som. We leggen hem voor: Armin Hary, 10,0 seconden. Wat is het verhaal achter het cijfer? ‘De eerste mens die tien-rond liep, hè. Mooie verhalen, ook over Valerie Brumel, die Russische hoogspringer die dat motorongeluk kreeg. Einde carrière. Of Al Oerter, de discuswerper die vier keer Olympisch goud won. Of waren het er vijf? Nee, in Moskou was hij er niet bij vanwege een boycot van de Amerikanen. Ach ja, je hebt zóveel in het hoofd.\'
Scherp, Antoon.
Op Wikipedia is te lezen dat Oerter zijn vierde goud won in 1968. Hij stopte, keerde in 1977 terug en was in 1980 weer de beste van de wereld. Tijdens de trials voor de Spelen was al bekend dat Team USA niet naar Moskou zou afreizen, vanwege de Russische invasie in Afghanistan.
‘Als er Europese kampioenschappen waren, een WK of Olympische Spelen, dan nam ik altijd vrij. Dat is ook de plek waar je het ‘t beste kan volgen. Bij de Olympische Spelen heb ik altijd twee tv\'s aanstaan; kan ik tegelijk ook naar andere sporten kijken.\'

De Groot heeft sinds 1965 geen clubkampioenschap bij FIT gemist. ‘De discus is altijd mijn lievelingsnummer geweest. Ik werp momenteel uit stand, een meter of 25. Draaien gaat niet meer, ik heb al jaren knieproblemen. In 1967 is het gewicht van de discus bij de A-junioren gewijzigd van 1.5 naar 1.75 kilogram en ik ben twee jaar kampioen en recordhouder geweest van het district Utrecht, met als verste afstand 37.82 meter. Maar in oude statistische boekjes heb ik dat nooit kunnen terugvinden.\'

De zomer van 2012 wordt smullen voor hem, met een EK én Olympische Spelen. Dat mag zo zijn, maar De Groot heeft een ander doel voor dit en de komende jaren. Behalve een nieuwe ranglijst allertijden, wil voor FIT alle statistieken op een rij gaan zetten. ‘Ik heb 100.000 prestaties in mijn database staan en probeer zo de geschiedenis van de club te reconstrueren.\' Een gewone sterveling zou huiveren, Antoon de Groot verheugt zich op de klus.

Tekst: Pim van Esschoten
Foto: Erik van Leeuwen