Inspirerende en bomvolle Looptrainersdag

15 november 2011
Vorige

Duizend mensen in een running outfit, veelal in clubkleuren en vrijwel allemaal met ‘trainer\' achterop hun jasje. Die duizend cultuurdragers van de loopsport vullen de sporthal van het sportcentrum van de Nijmeegse Radboud Universiteit, het is een indrukwekkend begin van de 16e Looptrainersdag. ‘Dit is al weer het derde of vierde jaar op rij dat we uitverkocht zijn,\' aldus Patrick Aris, projectmanager van ‘de dag\' namens de Atletiekunie.

Alleen die paar getallen al bewijzen het succes van de Looptrainersdag. Vanuit andere sportbonden wordt dan ook met een zekere jaloezie naar dit fenomeen gekeken, weet Aris. ‘Geen sportbond krijgt zoveel trainers bijeen.\' Indrukwekkend is ook het aantal van 102 workshops en praktijksessies, nog afgezien van vier presentaties van de organisaties van de grotere loopevenementen in Nederland.

Ruim zeven uur later, als de bezoekers weer langzaam huiswaarts gaan, drinken Marieke Spijker, Egbert Jansen en Nel Reinen van NEA Volharding uit Purmerend nog een biertje. Ze hadden zich ingeschreven voor workshops als ‘lekker leren lopen\', core stability of ‘verschillende loopvormen\'. ‘Een beetje willekeurig, maar dat kwam ook omdat we laat waren met inschrijven en veel workshops al vol waren,\' vertelt Egbert Jansen. ‘Niet erg, het is juist wel leuk om je te laten verrassen.\' En dat is weer prima gelukt. Het was ‘super interessant\' en ‘inspirerend\'. Bovendien, het was weer gezellig. Ook dat is voor hen ook van belang. NEA staat niet voor niets voor Nuttig en Aangenaam.

Het was hun zesde Looptrainersdag. Zouden ze zónder hun deelname minder goede trainers zijn? ‘Nou, saaier,\' denkt Egbert Jansen. Marieke Spijker: ‘Je krijgt hier nieuwe inzichten, ziet nieuwe vormen van looptraining.\' En de oude kennis wordt weer eens opgefrist. ‘Het geeft een andere kijk op de oefeningen,\' zegt Jansen. ‘Inspirerend, stimulerend.\'

Feyenoord
Inspirerend en stimulerend voor alle lopers ter wereld is misschien ook wel die ene opmerking van Toine van de Goolberg. De Nederlands kampioen op de 400 meter in 1974 en later - pas 27 jaar oud - bondscoach van toen nog de KNAU, is tegenwoordig vooral bekend als conditie- en hersteltrainer bij Feyenoord. Tijdens zijn lezing ‘een verantwoorde loopopbouw voor beginners en licht gevorderden\' vertelt hij dat een beetje loper na verloop van tijd in staat is tot zes keer tien minuten hardlopen. Makkelijk. ‘Mijn voetballers bij Feyenoord kunnen dat niet. Voetballers zijn geen atleten, ze zijn anders getraind.\'

Het podium is daarna een andere atletiektrainer, die zijn sporen verdiende in het voetbal (en hockey). Cees Koppelaar was als 26-jarige al conditietrainer bij Ajax (jaja, het gróte Ajax met Swart, Keizer en Cruijff). De nu 72-jarige Koppelaar richtte in 1995 met Bob Boverman en René van Zee Hardlooptrainers Nederland op. Boverman en Koppelaar ontvingen uit handen van Gerard Nijboer De Loper, de jaarlijkse sportprijs voor organisaties of personen die zich hebben onderscheiden in de loopsport. Voor hun jarenlange inspanning het hardlopen groot te maken in Nederland, zo motiveerde Nijboer de uitverkiezing. Opmerkelijk: Hardlooptrainers Nederland werd opgericht in dezelfde tijd dat Bob Boverman, destijds werkzaam voor de Atletiekunie, de eerste Looptrainersdag organiseerde.

Hardlooptrainers Nederland kwam er in eerste plaats om de belangen van looptrainers te behartigen, aldus Koppelaar. ‘Vooral de betaling. In het golf of tennis is dat heel normaal, in het lopen bleef dat achter. Terwijl die begeleiding in het lopen misschien nog wel belangrijker is. Looptrainer is een vak geworden. In de volgende fase willen we ons richten op hoe de clubs die trainers vasthouden.\' Want de andere sporten, ziet Koppelaar, trekken steeds meer aan die looptrainers met hun vakkennis.

Jeugd
Andersom signaleren atletiekclubs steeds meer kinderen die op atletiek gaan als ondersteuning van voetbal of een andere sport. Dat valt te beluisteren bij één van de 102 workshops, die na de lezing van Toine van de Goolberg en de uitreiking van De Loper beginnen. Bart Raijmakers - docent atletiek, pedagogiek en didactiek aan de Fontys Sporthogeschool in Tilburg - doet zijn workshop ‘Looptraining voor de jeugd\' in een uur, meer tijd is er niet. Het is een korte versie van de bijscholing die hij als opleider bij de Atletiekunie normaal gesproken in vijf uur verzorgt.

Wees een entertrainer (maar niet ‘gemaakt\'), houdt hij zijn gehoor voor. Vraag jezelf of je wel de juiste persoon bent, want bij jeugdgroepen is het nóg belangrijker wie er voor de groep staat dan bij volwassenen en die juiste persoon moet wel aansluiting hebben bij de tienercultuur. Het zijn enkele aanbevelingen aan het slot van zijn workshop, die hij begint met een achterhaalde stelling. Namelijk, dat het voor kinderen niet verstandig is om (langere afstanden) te lopen. ‘Als je op schaatsen of zwemmen gaat, dan ga je schaatsen of zwemmen. Maar ga je op atletiek, mag je niet hardlopen. Volgens mij moet dat wel kunnen. We moeten er alleen wel anders mee omgaan.\'

Langere afstanden zijn volgens Raijmakers dus geen probleem. ‘Drie keer per week? Oeps, daar schrikken we van. Maar vanuit de fysiologie is het zelfs verstandig.\' Voorwaarde is wel, dat de snelheid laag is. De nadruk moet op de aerobe training liggen, aldus Raijmakers. Met anaerobe training moet juist voorzichtig worden omgegaan. ‘Doe vooral geen 300 à 400 meter. Op korte termijn boek je snelle progressie. Je denkt: dit werkt goed. Maar op lange termijn maak je meer kapot.\' Die vorm van belasting kan in het algemeen pas komen ná de groeispurt. Sprinten moet tot die tijd beperkt blijven tot zes, zeven seconden (ofwel een meter of vijftig).

De meest voorkomende blessure bij kinderen en pubers is het syndroom van Osgood-Schlatter, waarbij er pijn optreedt op de plaats van de aanhechting van de kniepees aan het scheenbeen. De ziekte ontstaat in de periode van de groeispurt. Springen en sprinten is dan uit den boze. Ook daarom, betoogt Raijmakers, moet de nadruk juist liggen op het aerobe werk.

Apps
Bij Bart Raijmakers valt te leren dat een jeugdtrainer aansluiting moet hebben met de tienercultuur en daarbij hoort allicht de aanschaf van een smartphone om via de social media te communiceren met de trainingsgroep. Docent Peer Pulles (‘ik ben geen expert, ik doe het gewoon\') maakt wegwijs in de wereld van apps en likes en opent met een reeks enorme aantallen om aan te tonen welke vlucht de social media in korte tijd heeft genomen. ‘Er zijn ook steeds meer hardlopers actief op de social media. Er zijn vijf miljoen lopers, van wie zo\'n 130.000 lid van de Atletiekunie. De enorme groep die overblijft is te bereiken via twitter.\' Hoewel er ‘slechts\' een miljoen twitteraars in Nederland zijn, heeft Pulles even daarvoor zelf aangegeven...

Hoe dan ook, de opmars is niet te negeren. Ook als trainer van een loopgroep niet. Voor clubs of groepen raadt Peer Pulles Facebook aan. Een vereniging kan het beste een ‘pagina\' maken, omdat het ‘open\' is; iedereen kan er bij komen. Voor een loopgroep is het beter een groep aan te maken; het is slechts toegankelijk voor de leden van die groep. Handig om af te spreken of om te melden dat de training een uurtje later is of op een andere plek. Pulles: ‘Het biedt kansen. Mooi is dat de communicatie bij de social media die van twee richtingen is. En het is gratis, dat willen Nederlanders altijd wel weten.\'

Gratis? Dan heeft Tjitte Kamminga nog meer goed nieuws. De loopschoenen, die elke runner met een zekere regelmaat nieuw aanschaft, doen wat betreft schokdemping niet zoveel. ‘Het lichaam is prima in staat om zelf de schokken te dempen,\' zegt hij. Ook de ondergrond heeft invloed op de schokdemping.
Toch heeft iedere loper de ervaring dat die nieuwe schoenen een stuk lekkerder lopen dan dat versleten paar. ‘Suggesties te over\', stelt Kamminga. Een van de redenen zou kunnen zijn, dat de schoenen gemaakt van een schuimmateriaal na verloop van tijd uitharden. Na verloop van tijd ervaart de loper dat uitgeharde materiaal niet meer als prettig en gaat hij over tot de aanschaf van nieuwe schoenen.

Barefoot
Zijn betoog leidt uiteindelijk tot een pleidooi voor het rennen op goed vervormbaar schoeisel, zodat de fysieke kwaliteiten van de voet optimal benut kunnen worden. Echt nieuw is dit requiem voor de loopschoen niet. Volgens Kamminga, docent fysiotherapie aan de Hogeschool Leiden, is er sinds kort wel sprake van een doorbraak in het denken over blootsvoets hardlopen door de onderzoekingen van Daniel Lieberman van de Harvard University, de barefoot professor.

Kamminga legt uit dat de meeste hardlopers op hun schoenen gewend zijn om op de hiel te landen. Zouden ze het blootsvoets doen, gaan ze van nature landen op de voorvoet. Juist dan zijn spieren (kuit en bovenbeen) en gewrichten prima in staat de schokken op te vangen. De loper die zijn loopschoenen aan de wilgen hangt moet wel weten dat de omschakeling tijd vergt om het lichaam te laten wennen aan het landen op de voorvoet. ‘Het lichaam,\' aldus Kamminga, ‘bouwt zich om naar de eisen die je er aan stelt.\'

Blootsvoets lopen heeft ook nadelen. ‘Het is koud,\' aldus Kamminga. ‘En op straat of het bos ligt rommel, ook scherpe dingen. Je hebt dus iets van zooltjes nodig.\' Op de Loopsportmarkt, de centrale plek tijdens de 16e Looptrainersdag waar zo\'n dertig bedrijven en partners van de Atletiekunie een stand hebben, liggen ze al uitgestald; de five-finger-shoes en andere handschoentjes voor de voet. Speciaal voor de westerse blote pootjes. Want zo\'n eeltlaag als Abebe Bikila, die in 1960 in Rome blootsvoets naar de Olympische titel liep, hebben wij natuurlijk niet, maar kunnen wij uiteraard wel ontwikkelen.

Tekst: Pim van Esschoten

Barbara Kerkhof heeft van de Looptrainersdag een filmpje gemaakt